Kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong

Hoogbegaafde kleuters bestaan niet

Dit artikel stond in “De wereld van het jonge kind” april 2001

Wat wordt eigenlijk verstaan onder hoogbegaafdheid? Hoogbegaafdheid is in feite een gerealiseerd potentieel. Ongeveer 5 procent van de bevolking wordt geboren met een zeer hoge intelligentie (een IQ van 130 of hoger) en beschikt over persoonlijkheidskenmerken zoals creativiteit en doorzettingsvermogen. Deze mensen zijn in staat om gedurende langere tijd achtereen tot bijzondere prestaties te komen. Deze mens wordt dan hoogbegaafd genoemd. Intelligentie, creativiteit en doorzettingsvermogen zijn de persoonlijkheidskenmerken die door een positieve invloed van de sociale omgeving (school, gezin, vrienden) steeds verder ontwikkelen. Hoogbegaafd ben je niet, dat word je. Rekenen we de bovengenoemde 5 procent om naar de basisschoolpopulatie dan zien we dat ongeveer 35.000 kinderen in de basisschoolleeftijd hoogbegaafd zijn. Hieruit volgt dat leerkrachten in de praktijk met hoogbegaafde kinderen te maken hebben en/of krijgen.

Kleuters met een voorsprong

Voor de onderwijspraktijk is de eerder genoemde definitie weinig bruikbaar. Creativiteit is een subjectief begrip en het doorzettingsvermogen van de mens blijkt nogal beïnvloedbaar. Daarom wordt de begaafdheid van kinderen in de onderwijspraktijk veelal afgemeten aan hun intelligentiepeil en schoolse prestaties. Kijken we nu naar heel jonge kinderen dan schuilt in die criteria direct een probleem. Van kinderen tot vier jaar zijn er geen schoolse prestaties beschikbaar. Bovendien, en dat is wellicht nog belangrijker, het intelligentiepeil is pas met enige betrouwbaarheid vast te stellen bij kinderen vanaf het zesde jaar. Dat heeft te maken met het volgende.

De ontwikkeling van kinderen verloopt niet lineair. Met name bij kinderen tot zes jaar verloopt die ontwikkeling veelal sprongsgewijs. Bijna iedere leerkracht kan zich zo’n kind voor de geest halen dat bij het begin van de zomervakantie nog zo’n uk was, maar zes weken later toen het schooljaar weer begon, plotseling als ‘grote meneer’ de school weer binnenliep. Een dergelijke sprong in de ontwikkeling van het kind kan van zeer tijdelijke aard zijn. Zo kan een kleuter met een voorsprong op zijn leeftijdgenootjes die voorsprong in de loop van het jaar weer verliezen.
De ontwikkeling van de kleuter is bovendien nog erg omgevingsgebonden. Dat wil zeggen dat het nest waaruit het kind komt, sterk bepalend kan zijn voor de manier waarop het kind zich ontwikkelt en ook een eventuele tijdelijke ontwikkelingsvoorsprong kan bewerkstelligen.

Bij enkele kleuters blijft een voorsprong bestaan en dat is dan het kind dat, mits die voorsprong zich ook steeds verder blijft ontwikkelen, potentieel hoogbegaafd genoemd zou kunnen worden. Regel is echter dat deze groep kinderen, kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong worden genoemd.

Het woord hoogbegaafd is bij kleuters nog niet van toepassing. Maar met de keuze voor de term ontwikkelingsvoorsprong is voor de onderwijspraktijk een volgende moeilijkheid geschapen. Ontwikkelingsvoorsprong is een soort containerbegrip waaraan veel kenmerken kunnen worden opgehangen. Zaak dus om die kenmerken zichtbaar te maken.

Tien kenmerken

Grofweg zijn er tien kenmerken te onderscheiden waardoor leerkrachten de ontwikkelingsvoorsprong bij een kleuter kunnen waarnemen, samen te vatten als ‘alles is meer’.

Taalvaardig

Een eerste kenmerk is dat in veel gevallen kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong enorm taalvaardig zijn. Ze gebruiken in hun spreken een goede zinsopbouw, kunnen heel gevarieerd hun woordenschat toepassen en beschikken over het vermogen om verbaal duidelijk te maken wat ze willen en wat er in hen omgaat. Het zijn vaak ook kinderen die de dingen heel letterlijk nemen. Een voorbeeld daarvan is de manier waarop ze met spreekwoorden en gezegden omgaan en dat zij kunnen ‘spelen’ met gelijkluidende woorden van afwijkende betekenissen. Aardig voorbeeld van dit letterlijk opvatten van zaken is het volgende korte gesprekje. Oma belt met Daan. Daan is vijf jaar. ‘Zo Daan, wat ben jij aan het doen?’ ‘Met jou bellen natuurlijk,’ zegt Daan verontwaardigd. Even later legt het kereltje de telefoon neer en verzucht tegen zijn moeder. ‘Ze is wel dom hè? Als ik haar antwoord geef, begint ze keihard te lachen!’

Energie

Tweede kenmerk is dat zij intens met dingen bezig kunnen zijn en soms lijkt het of hen daarbij een tomeloze energie ter beschikking staat. Een veel gehoorde uitspraak van ouders en leerkrachten is daarbij ‘hij gaat maar door. Het lijkt of het nooit ophoudt’. Deze kinderen beleven dit vaak ook zo, hun hoofd lijkt nooit stil te staan. In incidentele gevallen kan zich dit ‘s avonds uiten doordat het kind maar moeizaam de slaap kan vatten. In andere gevallen kijkt de kleuter tijdens het kringgesprek verveeld om zich heen, wiebelt constant en kan zijn handen en voeten nauwelijks stilhouden. Soms gaat het zover dat het kind tijdens een ontdekkingsreis naar de wereld onder zijn stoel, van zijn stoel valt en bij de landing verbaasd om zich heen kijkt, om dan te constateren dat de wereld er ondersteboven toch heel anders uitziet.

Levensvragen

Een derde kenmerk is dat deze kinderen al op heel jonge leeftijd nadenken over levensbeschouwelijke zaken zoals de dood, de zin van het leven en ‘wat was er voor de mens’ en ‘wat is er na de dood?’

Invoelend vermogen

Vierde kenmerk dat hierop aansluit is dat deze kinderen een groot invoelend vermogen hebben. Zij kunnen zich sterk inleven in de situatie van een ander en door hun grote verstandelijke vermogens zijn zij bovendien in staat die situatie te generaliseren. In extreme gevallen kan dit leiden tot de ontwikkeling van – in ogen van volwassenen – wat merkwaardige angsten. Voorbeeld is de slimme kleuter die naar het jeugdjournaal kijkt, beelden ziet van jeugdige oorlogsslachtoffers uit Kosovo, volledig in tranen raakt en vervolgens niet meer kan slapen uit angst dat de oorlog zich naar hier verplaatst.

Honger naar kennis

Vijfde kenmerk is dat deze kinderen blijk geven van een geweldige honger naar kennis. Ze kunnen daarbij in de ogen van volwassenen een niet kinderlijke belangstelling hebben voor zaken als de ruimte, prehistorie, oude culturen, techniek en elektronica. Al veel jonger dan andere kinderen drijven zij hun ouders tot wanhoop met een onophoudelijk ‘waarom’ op alles wat zij tegenkomen. Wie met deze kinderen naar een museum gaat, komt vaak vermoeider terug dan het kind zelf. Het is nog dagen nadien bezig met alle opgedane indrukken een plaats te geven in zijn hoofd. Veelal door het eindeloos verbaliseren van alles wat het gezien heeft.

Taakgerichtheid

Zesde kenmerk is dat een kleuter meteen ontwikkelingsvoorsprong vaak een grote mate van taakgerichtheid en concentratie kan laten zien, vooral bij door het kind zelfgekozen activiteiten.

Creativiteit

Zevende kenmerk is dat het spel van deze kinderen veelal fantasierijk is en getuigt van een grote mate van creativiteit. Het zijn kinderen die van niets iets kunnen maken door hun fantasie de vrije loop te laten. Bovendien geven zijn hun spel vaak al op jonge leeftijd blijk van leiderschapskwaliteiten. Andere kinderen, maar ook de volwassenen om het kind heen, ervaren dit over het algemeen als ‘de baas willen spelen’. De kleuter met ontwikkelingsvoorsprong wil echter vooral zijn speelkameraadjes interesseren voor zijn werkelijk spannende en intrigerende plannen en raakt soms verontwaardigd over het onbegrip van de kinderen om hem heen.

Aanpassingsvermogen

Achtste kenmerk dat hierop aansluit is het enorme aanpassingsvermogen dat ze laten zien. De mening dat juist deze kinderen sociaal-emotioneel gezien een vertraagde ontwikkeling doorlopen, is een fabeltje. In een groot aantal gevallen geven zij er juist blijk van ook op dit gebied een ontwikkelingsvoorsprong te hebben. Het grote aanpassingsvermogen aan de groep is daar een goed voorbeeld van. In veel gevallen wordt het gedrag als gestoord geïnterpreteerd, of als achter in de ontwikkeling. Voorbeeld daarvan is de peuter van twee op de peuterspeelzaal. Terwijl hij naast een ander kind zit vraagt hij: ‘Mag ik van jou dat rode autootje.’ Hij krijgt van het andere kind een geel autootje. ‘Nee, mag ik het rode autootje.’ Het andere kind kijkt om zich heen en pakt lukraak een blauwe auto. Dat is het moment waarop de peuter met de ontwikkelingsvoorsprong in de gaten heeft dat hij er verbaal niet komt. Het kind kijkt om zich heen en ziet hoe andere kinderen de zaken fysiek oplossen. Het past zich aan, geeft zijn collega-peuter een mep en ontvangt als beloning het resterende rode autootje. Dat is het moment waarop volwassenen vinden dat er niet geslagen mag worden en dat de peuter met de ontwikkelingsvoorsprong ongepast gedrag vertoont. Sociaal zwak, is dan de conclusie. Maar eigenlijk is het tegengestelde het geval. Hetzelfde geldt voor de slimme kleuter die thuis prachtig gedetailleerde menstekeningen maakt en dan op school komt en ziet hoe zijn leeftijdgenoten koppoters maken. Dat kan ik ook, denkt de kleuter, schuift zijn grote kleuterego aan de kant en tekent vervolgens koppoters.

Cijfers en letters

Negende kenmerk is dat kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong veel meer dan het gemiddelde kind geïnteresseerd zijn in de verborgen wereld achter cijfers en letters. Ouders die op school komen en aan de leerkracht vertellen dat zij vermoeden dat hun kleuter hoogbegaafd is, zullen dit vermoeden slechts zelden staven aan het feit dat hun kind zo graag in de zandbak speelt. Zij zullen juist zeggen dat hij al een beetje kan lezen en in zijn hoofd met ‘sommetjes’ bezig is. Ouders geven ook aan dat deze interesse vanuit het kind zélf komt.

Sterk geheugen

Tiende kenmerk is dat het potentieel begaafde kind al heel jong laat zien te beschikken over een sterk geheugen. Het zijn kinderen die soms maanden later terug kunnen komen op een uitspraak of belofte die de leerkracht of ouder heeft gedaan en allang weer vergeten is. Hun verontwaardiging kan groot zijn als de volwassene ontkent iets dergelijks gezegd te hebben of de belofte niet gestand doet.

Signalering

Lang niet alle kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong laten de hiervoor genoemde kenmerken in dezelfde mate zien. Sommige kleuters hebben immers als peuter al ervaren dat aanpassing de veiligste weg is. Maar ‘aangepast’ betekent voor de leerkracht van potentieel begaafde kinderen ook direct ‘opgepast’. Want juist in dat grote vermogen tot aanpassing schuilt het gevaar van mogelijk onderpresteren. Daarmee is overigens niet gezegd dat iedere aangepaste kleuter zich ook zal gaan ontwikkelen tot een onderpresteerder. Wel is het zaak om zo vroeg mogelijk de ontwikkelingsvoorsprong te signaleren en vervolgens het onderwijskundig handelen daarop aan te passen.

Signalering vindt per definitie plaats onder alle leerlingen. Feitelijk zet de leerkracht een fuik uit waardoor de uiteindelijke groep leerlingen met een ontwikkelingsvoorsprong efficiënt in kaart wordt gebracht. Om deze signalering effectief te laten zijn, is het zinvol een protocol op te stellen waardoor naar iedere kleuter (voorsprong of niet) even nauwkeurig wordt gekeken. Hoewel dit aanvankelijk meer werk is en een grotere tijdsinvestering van de leerkracht vraagt, is de winst op lange termijn voor alle kinderen uit de groep groter. Zo is de groepsleerkracht immers in staat om aan te sluiten bij het juiste beginniveau van iedere leerling.

Voor het signaleringsprotocol kunnen drie informatiebronnen onderscheiden worden. In de eerste plaats is er informatie die afkomstig is van ouders en/of peuterspeelzaal. Deze informatie geeft een beeld over de voorschoolse ontwikkeling van het kind. Een goede manier om die informatie te krijgen, is een uitgebreid aanmeldingsgesprek. Om te zorgen dat van iedere toekomstige leerling vergelijkbare informatie beschikbaar is, is het goed om tijdens dit aanmeldingsgesprek aan de hand van een vaste vragenlijst de voorschoolse ontwikkeling van het kind in kaart te brengen. Daarnaast is het belangrijk om ook als het kind eenmaal op school is de contacten met ouders goed te onderhouden. Beter dan geen ander kunnen zij vertellen hoe hun kind thuis reageert op datgene wat er op school gebeurt. Zo wordt snel zichtbaar of een kind zich thuis ongeveer vergelijkbaar gedraagt als op school of wanneer er twee compleet verschillende gedragspatronen ontstaan en het beeld van de leerkracht gaat verschillen van dat van de ouders. Tweede informatiebron is de kennis die een leerkracht vergaart door een kind te observeren. Juist in die eerste zes weken dat een kind op school is, geeft het de leerkracht belangrijke informatie. Hoe gaat het om met andere kinderen? Hoe speelt het? Waarmee speelt het? Welke ontwikkelingsmaterialen kiest het kind en op welk niveau werkt het daarmee? Hoe zit het met de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind?

In meer gerichte zin kan geobserveerd, worden aan de hand van speciale observatielijsten voor kleuters waarmee de verschillende ontwikkelingsgebieden nauwkeurig in beeld worden gebracht.
Tot slot is er nog de specifiek didactische informatie die wordt verkregen door het kind te toetsen. Dit kan zijn door gebruik te maken van toetsen uit het leerlingvolgsysteem, maar ook het afnemen van het Grossvormbord en het laten maken van een menstekening.

Het afnemen van toetsen uit het leerlingvolgsysteem is feitelijk alleen nodig wanneer de eerste signalering uitwijst dat er mogelijk sprake is van een ontwikkelingsvoorsprong. Het schoolteam zal criteria moeten opstellen voor welk moment een leerling voor verder diagnostisch onderzoek in aanmerking komt. Als een leerkracht specifiek kijkt naar een beperkte groep leerlingen dan is er sprake van diagnostiek.

Eleonoor van Gerven (pedagoog) is hoofdredacteur van Talent (Tijdschrift over hoogbegaafdheid) en heeft een adviespraktijk op het gebied van hoogbegaafde leerlingen.