Beter omgaan met hoogbegaafde leerlingen

Interview met Jan Kuipers

“Vroeger was de zorg vooral op de zwakke leerlingen gericht. Hoogbegaafde leerlingen konden zichzelf wel redden, was de overheersende opinie. Het aangeboren talent werd als een luxe gezien, waarin je geen extra tijd hoefde te steken. Bovendien was het een typisch Nederlands cultuurverschijnsel dat je je hoofd niet te ver boven het maaiveld uit mocht steken. De laatste tien jaar is onder de druk van de ouders het denken over deze groep kinderen radicaal veranderd.” Aan het woord is onderwijsadviseur Jan Kuipers (Cedin). Hij begeleidt directies en leerkrachten in de juiste aanpak van hoogbegaafde leerlingen.

“Want inmiddels staat wel vast dat ook hoogbegaafde leerlingen behoorlijk wat extra aandacht en vooral een eigen benadering behoeven”, weet Kuipers uit ervaring. “Als ze op verkeerde manier benaderd worden, kunnen ze zich erg ongelukkig en geïsoleerd voelen.” Verveling, perfectionisme (inclusief faalangst), onzekerheid en hyperactiviteit zijn veelgehoorde problemen. Uit onderzoek blijkt ook dat ze dikwijls te maken hebben met psychosociale problemen, zoals gepest worden op school, eenzaamheid, overgevoeligheid en een zwakke sociaal-emotionele ontwikkeling.

In onderlinge samenhang kunnen deze factoren gemakkelijk leiden tot onderpresteren. Kuipers: “Onderpresteren lijkt daarmee één van de meest raadselachtige en frustrerende problemen van hoogbegaafde leerlingen. Het lijkt wel of ze twee gezichten hebben. Op sommige momenten zie je de onbegrensde mogelijkheden, een briljante opmerking, een goed doordachte visie, maar daarna is het voorbij en wordt er een muur van apathie en onverschilligheid opgetrokken.”

Niet alleen voor het kind is onderpresteren een grote frustratie, ook voor ouders en leerkrachten is onderpresteren vaak een lastig en moeilijk te hanteren probleem. Hoogbegaafde kinderen hebben vaak twee gezichten. Ze zitten vol passie en zitten als de juiste snaar geraakt wordt op het puntje van hun stoel. Anderzijds kunnen ze ook zeer lusteloos en doelloos gedrag vertonen en zijn ze soms tegendraads en onbenaderbaar, of juist volledig aangepast en daardoor onzichtbaar.

Lat hoger leggen

Kuipers stelt onomwonden dat in het basisonderwijs onderpresteren het gevolg is van een ontoereikend lesaanbod gecombineerd met een te laag ambitieniveau van de ouders en de leerkrachten. Kuipers: “In de VS en de Aziatisch landen ligt de lat veel hoger. Een topprestatie leveren is daar de normaalste zaak van de wereld. In Nederland, maar ook in de rest van Europa, zie je zelden dat een school er prat op gaat dat ze het maximale van leerkracht en leerlingen vragen. Daarin zie je nu langzaam maar zeker een kentering optreden, we krijgen steeds meer aandacht voor talent en prestaties.”

Volgens Kuipers vergt dit echter wel een totaal andere pedagogisch-didactische aanpak van de leerkracht. Hij weet dat enkel en alleen het creëren van een plusklas geen optie is. “Niet één onderwijsaanpassing is zaligmakend. Daar zijn de leerlingen nu eenmaal te verschillend voor. Maar inmiddels is wel duidelijk dat leerkrachten zich veel meer moeten focussen op het leerproces en niet zozeer op het aspect van kennisoverdracht. Ze moeten het pedagogische talent hebben deze kinderen goed te kunnen begeleiden.”

Kuipers benadrukt dat hoogbegaafde kinderen – hij spreekt overigens liever over begaafde, hoogbegaafde en excellent lerende kinderen – anders denken en leren en dus een totaal andere aanpak nodig hebben. “Het verschil met het traditionele lesgeven is best groot: je moet deze kinderen bijvoorbeeld leren reflecteren op hun eigen denken en handelen. Je moet ze planmatig leren werken. Je moet ze leren om het beste uit zichzelf te halen. Waarbij succes én falen hoort. Je moet ze triggeren en motiveren, ze laten inzien dat het leveren van prestaties moeite en discipline vergt. Veel hoogbegaafde kinderen kunnen de slag van leren-met-twee-vingers-in-de-neus naar leren-dat-moeite-kost maar moeilijk maken. Ook veel leerkrachten vinden deze verandering in didactische aanpak heel lastig, maar mijn ervaring is ook dat zij draai wel kunnen maken.”

De juiste omgeving

Volgens Kuipers moet een leerkracht beseffen dat hoogbegaafde leerlingen tachtig tot negentig procent van de basisstof die in een instructieles wordt aangeboden binnen vijf minuten beheerst. Het gevaar van desinteresse en demotivatie liggen levensgroot op de loer. “Een leerkracht die hier bewust mee bezig is stimuleert daarom grotere denk- en verwerkingsstappen, biedt andere, vervangende leerstof aan. Dat moet regel zijn en geen uitzondering. Wie bij een onderpresterende leerling de motor weer op gang wil krijgen, zal zich heel gericht moeten bezighouden met de motivatie van het kind. Het blijkt dat hoogbegaafde kinderen erg veel baat hebben bij het zelf kiezen van de onderwerpen. Daar moeten ze een of twee uur per week zelfstandig aan mogen werken”, aldus Kuipers. De onderzoekers Philips en Lindsey noemen dit de X-factor, de sleutel tot presteren, waarbij uitdaging (passende leerstof, samenwerken met gelijkgestemden, eigen onderwerpkeuze, zelfsturing), support (aanmoediging, waardering, reële verwachtingen) en acceptatie (door leerkrachten en medeleerlingen) centraal staan. Toch onderstrepen zij ook dat uiteindelijk de motivatie van binnenuit moet komen.

Organisatie

Omdat deze extra aandacht in het reguliere onderwijs voor hoogbegaafde kinderen door de bank genomen een lastenverzwaring voor de leerkracht betekent, stelt Kuipers voor om ‘clusters van slimme kinderen te maken die in een soort plusuur of plusmiddag onder begeleiding van een leerkracht bovengroeps of zelfs bovenschools opereren.’ Hij vindt overigens ook dat een goede leerkracht binnen zijn eigen lessen allerlei verrijkende opdrachten aan moet bieden. Volgens hem zijn daar inmiddels voldoende speciale materialen en leerlijnen voor ontwikkeld. “Ik pleit er niet voor om deze kinderen alleen bij elkaar te zetten. Dat vind ik een verschraling van het reguliere onderwijs. Maar door ze op gezette tijden extra aandacht te geven, heb je een prima alternatief. Bovendien denk ik dat het voor hun sociaal emotionele ontwikkeling ook veel beter is als ze deel uit maken van een heterogene setting. Alleen voor kinderen die een IQ van 145 of meer hebben, wil ik een uitzondering maken. Door de ‘gewone slimme kinderen’ van een school te halen, verlaag je het hele ambitieniveau van een school. Dat vind ik geen goed zaak.”

Oorzaken van onderpreseteren

Enkele schoolfactoren die de kans op onderpresteren vergroten, zijn:

Een ontoereikende wijze van signalering: Aandacht voor (hoog)begaafdheid begint met een goede wijze van signalering. Begaafde kinderen worden lang niet altijd herkend. Bij een oppervlakkige beoordeling wordt bijna de helft van de (hoog)begaafde kinderen onderschat.

Een ontoereikend leeraanbod: Het reguliere onderwijssysteem verwacht dat alle leerlingen in dezelfde tijd, in dezelfde ruimte, dezelfde leerstof kunnen doorlopen om uiteindelijk dezelfde minimumprestatie te halen. Vijftien procent van de leerlingen spant zich erg in en haalt geen goede resultaten, met als gevolg demotivatie en weerzin tegen leren. Vijftien procent spant zich nauwelijks in en behaalt toch een goed resultaat, met soms als gevolg demotivatie en weerzin tegen leren. In het hedendaagse onderwijs vindt leren plaats in kleine leerstappen met veel oefeningen. Dit is de geëigende werkwijze van veel leerkrachten en deze werkwijze is voor veel leerlingen ook uitstekend geschikt. (Hoog)begaafde leerlingen leren echter in grote stappen met weinig oefentijd. Zij kunnen bovendien in minder tijd veel meer en grotere leersprongen maken dan van hen verwacht wordt. Ook dat leidt onherroepelijk tot onderpresteren en omdat het plezier in het leren ontbreekt, tot verveling, tobberigheid en bezorgdheid.

Te weinig ruimte voor creatief denken: (Hoog)begaafde kinderen beschikken naast een hoge intelligentie vaak ook over een hoge vorm van creatief of divergent denken. Creatieve denkers zien problemen, zien oplossingen en zien verbanden die anderen niet zien. Hun opvattingen druisen vaak in tegen de gevestigde opvattingen en worden als zodanig niet positief gewaardeerd. Ook de strakke hantering van huidige onderwijsmethodes staat het creatieve proces van kinderen maar moeizaam toe. Daardoor werken veel scholen werken de stimulering van creatief denken eerder tegen, dan dat het wordt aangemoedigd en dit werkt onderpresteren in de hand.

Te weinig aandacht voor metacognitieve vaardigheden: Metacognitieve kennis omvat de kennis en opvattingen die mensen hebben over hun eigen cognitief functioneren, vaardigheden die het leerproces aansturen, zoals plannen en  reflecteren (vrij vertaald: nadenken over het eigen denken). Metacognitieve kennis is noodzakelijk om nieuwe kennis te verwerven. De leerkracht krijgt in dit kader de rol van coach, waarbij hij zeer individueel en op belangstellende  wijze het beste uit de leerling naar boven weet te halen. Overigens zijn lang niet alle (hoog)begaafde kinderen in metacognitief opzicht vaardig: regelmatig oriënteren deze kinderen zich te kort op taken, werken ze te snel of vergeten ze  bijvoorbeeld het werk na te kijken. Onderpresteerders zijn hierin juist zwak.

Ontoereikende pedagogisch didactische kwaliteiten van de leerkracht: Het spreekt vanzelf dat de rol van de leerkracht een belangrijke zo niet de belangrijkste factor is voor een succesvolle ontwikkeling van alle leerlingen. Gedifferentieerd lesgeven wordt in het gehele onderwijs als belangrijke werkwijze erkend. Iedere leerling heeft immers zijn eigen leerstijl. Daarom moeten leraren, om zo effectief mogelijk te onderwijzen, tijdens het lesgeven rekening houden met aan wie en wat zij onderwijzen. Het doel van de gedifferentieerde klas is actief plannen en voortdurend elke leerling helpen om zo ver en zo snel mogelijk te vorderen op een leercontinuüm. Voor een juiste  begeleiding van (hoog)begaafde leerlingen is het nodig dat de leerkracht in ieder geval erkent dat deze kinderen een andere aanpak vragen. Veel leerkrachten hebben echter moeite om leerlingen ruimte te geven, ze willen ‘in control’  blijven. Dit uit zich bijvoorbeeld in de angst om leerstof te schrappen, waardoor het vergroten van de leerstappen  wordt belemmerd. Maar ook veel leerlingen aarzelen om de ruimte te nemen. Ze hebben zich afhankelijk gemaakt  van  de controle van de leerkracht. Onderpresteerders waarbij onzekerheid speelt, bijvoorbeeld als gevolg van perfectionisme, hebben veel behoefte aan het oordeel van de leerkracht. Ook de rol van klasgenoten is van invloed, het  streven naar aanpassen aan de groepsnorm is belangrijker dan het streven naar het leveren van hoge   prestaties.

 

Bron: pulseprimaironderwijs.nl